Modellen omrekenen

Probleem herkend, probleem afgewend
Wanneer u een breimodel wilt nabreien maar met diens aangave in de aanwijzing u niet terecht komt, kunt u het model makkelijk omrekenen. Eerst moet u controleren waar het probleem ligt. Het belangrijkste voor het begin van een nieuw breistuk is de stekenproef. Wilt u een trui met het Origineel garen in de vermelde maten, dan vergelijkt u uw stekenproef met de stekenproef van de aanwijzingstekst. Komen deze beiden niet overeen, maakt u a.ub. eerst een STEKENPROEF. Indien u de maat, de pasvorm en het garen wilt veranderen, dient u eerst enig voorbereidend werk uit te voeren, opdat het resultaat perfect wordt.

De juiste maat
Het is in principe aan te bevelen dat de aangaven op de tekening van de pasvorm van het uitgekozen model te vergelijken is met de lievelingstrui uit uw kledingkast. Indien u het liever iets langer, korter, breder of smaller wilt, teken een nieuw pasvorm met uw eigen maten, het best in de schaal 1:1. Dan kunt u tijdens het breien uw breistuk altijd controleren en kijken of alles in orde is en indien nog iets veranderen. Bovendien heeft u dan de juiste basis met betrekking tot het spannen voor het in elkaar naaien.

De regel van drieën
Nu moet u allen nog de maten omrekenen in steken en naalden. Daartoe heeft u de regel van drieën nodig. Uw stekenproef toont hoeveel steken en naalden u voor 10 cm nodig heeft. Voorbeeld stekenproef: 16 s. en 24 nld. = 10 x 10 cm.
Voorbeeld:

U heeft dus 16 steken voor 10 cm nodig; 1,6 steken voor 1 cm, en het vijftig-voudige hiervan voor 50 cm (breedte voor- en rugpand), dus 80 steken. Hierbij komen er nog kant-steken bij. In de hoogte heeft u 24 naalden voor 10 cm nodig; 2,4 steken voor 1 cm, en het veertig-voudige hiervan voor 40 cm (hoogte vanaf boord tot armsgat voor voor- en rugpand), dus 96 naalden. De omrekeningsformule luidt: (cm x stekenproef) gedeeld door 10. 

Nu is het mogelijk de basisgegevens voor uw breistuk vast te leggen, doordat u alle maten betreffend de breedte in steken omrekent en de maten betreffend de hoogte in naalden. Indien het resultaat van uw rekening geen hele getallen beinhouden, kunt u zinvol naar boven of beneden afronden. In het eindresultaat is dit meestal niet eens meetbaar.

Schuine mouwranden, mouwkop, armsgat en hals
Voor het meerderen van de schuine mouwrand heeft u in ons voorbeeld voor 7 cm (11 steken) in de breedte 41 cm (98 naalden) in de hoogte ter beschikking. Nu deelt u het aantal van de naalden door het aantal van de steken en als resultaat moet u in elke 8e naald 11x1 steken aan weerszijden meerderen. Bij de laatste naalden voor de kop of voor het afkanten van mouwen gebeurt er niets. Indien bij de deling een oneven stekenaantal eruit komt, bijv. 7, dan meerdert u afwisselend in elk 6e en 8e naald. Met betrekking tot de rondingen van de mouwkop, de armsgat en de hals legt u uw breistuk het best direct op de pasvorm en mindert langs de rand. Het is ook nuttig om zich aan de Originele aanwijzing te oriënteren. Zo groot zijn de verschillen soms niet. 

Rapporten, inbreimotieven en verdelingen van vlakken
Indien u patronen breit, waar u rapporten moet nakomen (boordpatronen, vlechten, ajourpatronen) zou u het aantal van de steken en naalden tijdens het achterhalen in aanmerking nemen. Soms is een compromis tussen maten en patronen de enige oplossing. Hierbij moet of de maat of het patroon worden aangepast. Kijk ook hiervoor in de de Originele aanwijzing. Vooral een vergelijking van de verschillende maten kan hierbij verder helpen. Inbreimotieven of verdelingen van vlakken markeert u het best direct op de pasvorm en rekent de juiste positie met de regel van drieën uit of u legt het breistuk op de pasvorm en vervolgens oriënteert u zich op de tekening. 

Nog een tip
Men kan niet vaak genoeg betonen, hoe belangrijk de stekenproef aan het begin van een breistuk is. Daarvan hangt elk verder overleg en uiteindelijk ook het sucees af. Maar breien moet ook plezier maken, dus maak er geen proefschrift van! Een beetje improvisatie is altijd toegestaan.